Onderwijskundige werkelijkheid.png

Objecten binnen alle onderwijssectoren

Het informatiemodel RIO bestaat uit twee onderdelen: een onderwijskundig deel en een juridisch deel (wet- en regelgeving). Het basisprincipe achter RIO is dat een onderwijsinstelling zijn organisatiestructuur vastlegt volgens de onderwijskundige werkelijkheid en dat van daaruit automatisch relaties worden gelegd met andere werkelijkheden waaronder die van de wet- en regelgeving. Op deze pagina gaan we nader in op de onderwijskundige werkelijkheid. Het onderwijskundige deel van RIO is gebaseerd op objecten die binnen alle onderwijssectoren gelden, en die in een vereenvoudigde weergave in bovenstaande afbeelding worden weergegeven. Via deze objecten kan een onderwijsinstelling beschreven worden. Het zijn als ware de bouwstenen waarmee de eigen onderwijsinstelling kan worden opgebouwd.


Centrale object: organisatorische eenheid

Het centrale object is de organisatorische eenheid, in het plaatje zijn dat de groene WIE-objecten. Een organisatorische eenheid kan betrekking hebben op een totale organisatie, maar ook op onderdelen van een organisatie. Organisatorische eenheden kunnen in relatie tot elkaar staan, bijvoorbeeld een hiërarchische relatie (onder Bevoegd Gezag vallen één of meer Onderwijsaanbieders en soms zelfs meerdere Onderwijsaanbiedersgroepen), een samenwerkingsrelatie, of een fusie-overgang. In alle onderwijssectoren komen we in ieder geval onder het bevoegd gezag de onderwijsaanbieder tegen. In sommige gevallen, met name grote besturen, is er ook een clustering van diverse onderwijsaanbieders (scholengemeenschap, onderwijsgroep etc.) herkenbaar die een eigen identiteit (en vaak ook naam en adresgegevens) hebben en die voor een aantal taken aangestuurd worden door een eigen directie ten opzichte van het formele bevoegd gezag. Een dergelijke clustering noemen we nu de Onderwijsaanbiedersgroep. Of het altijd nodig is om zo'n groep te registreren of dat dit optioneel is, is nog onderwerp van discussie.

Er zijn bij onderwijsinstellingen vaak nog meer organisatorische eenheden aan te wijzen (teams, clusters, secties, eenheden etc.), die voor de interne organisatie van belang zijn te onderkennen en te registreren in de eigen administratie maar die verder in de keten niet relevant zijn voor andere onderwijspartijen. Een aangezien RIO gericht is op gegevensuitwisseling in de keten, zijn die ook niet opgenomen in het informatiemodel.


Specialisatie organisatorische eenheid: onderwijsaanbieder

De definitie van onderwijsaanbieder luidt: "Een organisatie die door een bevoegd gezag is ingesteld voor het verzorgen van onderwijs." Inderdaad, dat komt grotendeels overeen met wat wij scholen, colleges of vakgroepen noemen, afhankelijk vanuit welke onderwijssector er gekeken wordt. Het begrip is zo gekozen dat alle sectoren het kunnen gebruiken als generieke aanduiding. Waar bestaande aanduidingen ‘last’ hebben van verschillende interpretaties van bepaalde  begrippen afhankelijk van welke invalshoek men er naar kijkt, is onderwijsaanbieder eenduidig te typeren.


Bereikbaarheidsgegevens

Bij de WIE-objecten kunnen ook bereikbaarheidsgegevens (met WIE) worden vastgelegd. Uitgangspunt is dat we niet communiceren met gebouwen cq plekken op de kaart maar met organisatieonderdelen. In tegenstelling tot wat vaak gebruikelijk is in registraties zijn die bereikbaarheidsgegevens dus niet hetzelfde als het fysieke adres van een gebouw (bijv. het adres dat bij de vestiging in BRIN is opgenomen), maar worden ze bepaald door een zogeheten communicatiecontext. Dat is een formele benaming voor onderwerp. Immers, het hangt sterk af van het onderwerp met wie binnen een onderwijsinstelling een externe partij contact zou moeten opnemen. Gaat het over de bekostiging? Dan lopen die contacten wellicht zelfs op het niveau van het bevoegd gezag, die daarvoor echter een centrale afdeling heeft ingericht op een heel andere plek dan waar het bevoegd gezag formeel is geregistreerd. Voor communicatie over verzuim is het logisch dat dit dichter bij de onderwijsaanbieders zal zijn georganiseerd, maar ook hier geldt, dat er soms centrale verzuimcoördinatoren zijn die niet noodzakelijkerwijs precies op de plek zitten van de onderwijsaanbieder zelf en ook niet op de plek (onderwijslocatie) waar de verzuimpleger meestentijds onderwijs geniet. Samen met de ketenpartners (denk aan DUO, Inspectie, gemeente) bepaalt het onderwijs voor welke onderwerpen het nodig is om er gestructureerd bereikbaarheidsgegevens voor vast te leggen.


Opleidingen

In de definitie van onderwijsaanbieder zit al besloten dat deze organisatorische eenheid onderwijs verzorgt. Dat onderwijs wordt in het vereenvoudigde model als volgt getypeerd. Het gele WAT, de opleidingseenheid is een verzameling competenties (of eindtermen). Een onderwijsvolger kan voor een opleiding een diploma krijgen, waarmee hij kan aantonen dat hij beschikt over die verzameling competenties. Dat zijn vaak verzamelingen van competenties, die formeel erkend zijn. Denk daarbij bijv. aan CROHO opleidingen in het hoger onderwijs, CREBO opleidingen (kwalificaties) in het mbo en de element- en vakcodes  in het vo (gepubliceerd in de ITL-codelijst). Maar dat hoeft niet, ook andere en zelfs niet-formele competenties kunnen aan de basis staan voor het inrichten van opleidingen en opleidingseenheden die door onderwijsaanbieders in een onderwijsprogramma worden opgenomen.


Aangeboden opleidingen

Het roze HOE, de aangeboden opleiding(seenheid), heeft betrekking op het onderwijsprogramma (het onderwijsproces) dat moet leiden tot het aanleren van die competenties door een onderwijsvolger (leerling, student). Een onderwijsvolger schrijft zich ook in voor zo’n onderwijsprogramma. En dit proces kan op diverse manieren vorm gegeven worden door de onderwijsaanbieder (het hoe dus).


Onderwijslocatie

Tenslotte heeft een onderwijsinstelling ook nog te maken met de plek of de plekken waar zij het onderwijs aanbieden cq verzorgen. Dat zijn in het model de onderwijslocaties (de blauwe WAAR). Ook hier is zorgvuldig gekozen voor een begrip dat niet al gemeengoed is in een of meerdere onderwijssectoren. Begrippen als vestigingen, locaties, gebouwen hebben er uiteraard wel mee te maken maar zijn of net niet precies genoeg of juist te precies. Bovendien hebben de meeste van deze begrippen ook last van verschillende interpretaties omdat ze al gebruikt worden in bestaande contexten (denk bijv. aan vestiging in de wet- en regelgeving in de po- en vo-sector). De definitie van onderwijslocatie luidt: “Een punt op een geografische kaart waar onderwijs wordt aangeboden”.

Dat klinkt formeler dan het is. In feite verstaan we onder een onderwijslocatie een plek waar een leerling of student zich inschrijft voor een bepaalde opleiding. Die plek is inderdaad vaak een gebouw (bijv. een basisschool) maar kan dus ook een terrein zijn waarop meerdere gebouwen tezamen de onderwijslocatie vormen (bijv. een campus). Voorts is van belang de toevoeging in de definitie dat het gaat om waar “onderwijs wordt aangeboden”. Het kan dus best zo zijn dat een onderwijsaanbieder meerdere locaties in gebruik heeft om onderwijs daadwerkelijk te kunnen geven, denk maar aan de gymzaal, het sportveld of tijdelijke huur van een verdieping in een bedrijfspand. Die locaties zijn vanuit het perspectief van RIO niet nodig om te registreren (maar voor de onderwijsaanbieder zelf uiteraard wel voor de eigen interne facilitaire processen, zoals roostering).


Onderwijskundige werkelijkheid

Nog even over die onderwijskundige werkelijkheid. Is die nu goed af te beelden met de hierboven beschreven objecten? Kan een onderwijsinstelling inderdaad zichzelf hiermee “op de kaart zetten” zoals ze dat zelf zou willen? En wat hoort er nou wel en niet bij? Een handig hulpmiddel is hierbij om je te verplaatsen in de onderwijsvolger zelf. Die kiest voor een bepaalde opleiding (WAT) in een bepaalde vorm (HOE) bij een bepaalde onderwijsaanbieder (WIE) op een bepaalde plek (WAAR). Een student of leerling kiest niet centraal voor een centraal administratiekantoor om maar eens wat te noemen. Ook al is dat mogelijk wel een belangrijke organisatorische eenheid binnen een onderwijsinstelling, vanuit het perspectief van RIO is die niet relevant, behalve dan misschien voor bepaalde communicatiecontexten.

De mensen die zich tot nu toe met RIO hebben beziggehouden zijn niet zomaar tot dit model gekomen. Na grondige analyses van bestaande registraties (waaronder die van BRIN, de inspectie en, voor vo en po, Vensters en Scholen op de Kaart), door te kijken hoe onderwijsinstellingen (scholen, scholengemeenschappen, ROC’s etc.) zichzelf op hun websites afficheren en de eisen vanuit wet- en regelgeving en andere “werkelijkheden” te beschouwen is het huidige informatiemodel opgebouwd. Is het daarmee in beton gegoten? Nee, want om RIO te kunnen implementeren wordt het model per onderwijssector verder uitgewerkt, verfijnd en toegespitst op voor een bepaalde sector relevante gegevens en processen wat resulteert in zogeheten sectormodellen. Wat echter wel blijkt, is dat het generieke model als basis stabiel is en op alle mogelijke situaties past.